Terwijl hij op een avond door de stille, regenachtige straten van de stad patrouilleerde, zag een ervaren politieagent iets vreemds: een jong meisje dat alleen midden op straat stond, roerloos, haar roze rugzak klampte zich vast aan haar schouders en haar grijze regenjas was doorweekt. Het tafereel leek vreemd – als een moment bevroren in de tijd.
Hij remde af en riep haar. Maar zodra ze hem zag, ging ze ervandoor.
“Wacht!” riep hij, terwijl hij de stortbui in stapte.

In plaats van te stoppen, gooide het meisje haar rugzak op het natte trottoir en verdween in een nabijgelegen steegje.
De sergeant greep de tas – hij was zwaar en vol – en opende hem. Daar zag hij iets wat allesbehalve onschuldig was.

Binnenin zaten hermetisch afgesloten plastic pakketjes – duidelijk amfetamines – samen met verschillende prepaid-SIM-kaarten, een USB-stick en een verzameling vervalste paspoorten met foto’s van kinderen.
Een rilling liep over zijn rug. Dit was geen routineklus. Het was een glimp van iets veel verontrustenders: de verwevenheid van kinderuitbuiting en drugshandel.
Terwijl hij de schaduwen afspeurde naar een spoor van het meisje, drong het tot hem door: dit was niet zomaar een bang kind. Dit was het topje van een angstaanjagend crimineel netwerk dat zich in het volle zicht verborgen hield.